Bram: Ugh, Mieke. Ik voel me niet zo goed vandaag.
Mieke: Oh nee. Wat is er aan de hand?
Bram: Ik weet het niet precies. Ik ben gewoon heel erg moe.
Mieke: Dat is vervelend. Weet je hoe je dat aan een dokter vertelt?
Bram: Eh... niet echt. Dat is een goed onderwerp voor vandaag.
Mieke: Oké, we gaan oefenen. Ik ben de doktersassistente. Wat zijn je klachten?
Bram: Ik ben erg moe. En ik heb pijn in mijn hoofd.
Mieke: Oké. Dan zeg je: ik heb hoofdpijn.
Bram: Ah ja, hoofdpijn. Natuurlijk. En ik moet steeds niezen.
Mieke: Oké, je niest veel. Heb je nog andere klachten?
Bram: Ja, ik moet ook veel hoesten. En mijn keel doet pijn.
Mieke: Dan heb je keelpijn. Dat is een veelvoorkomende klacht bij verkoudheid.
Bram: Oké. Dus ik heb hoofdpijn en keelpijn. En ik hoest en nies.
Mieke: Precies. Voel je je verder nog ziek? Bijvoorbeeld in je buik?
Bram: Nee, gelukkig geen buikpijn. Maar ik ben wel een beetje misselijk.
Mieke: Aha, misselijk. Dat is ook een belangrijk woord. Hoe kun je dat nog meer zeggen?
Bram: Je kunt zeggen: 'ik heb last van...'. Toch?
Mieke: Precies. Dat is een hele goede zin. 'Ik heb last van keelpijn'. Of 'ik heb last van buikpijn'.
Bram: Oké, ik onthoud het. Ik heb last van heel veel dingen vandaag, haha.
Mieke: Het klinkt als de griep, Bram. Blijf maar thuis.
Bram: Gelukkig is het maar een oefening.
Bram: Wacht even, Mieke. Wat is het verschil ook alweer? Tussen hoesten en niezen?
Mieke: Kijk. Niezen is 'hatsjoe!'. Dat komt uit je neus.
Mieke: Hoesten is 'kuch kuch'. Dat komt uit je keel en je longen.
Bram: Ah, helder. En die zin 'ik heb last van...' is heel handig. Die kan ik gebruiken voor hoofdpijn, buikpijn, alles.
Mieke: Precies. 'Ik heb last van keelpijn'. Dat is perfect Nederlands om je klachten te beschrijven.
Mieke: Even een tip voor je examen. Op het KNM-examen krijg je vaak een lijst met woorden.
Mieke: Bijvoorbeeld hoofdpijn, buikpijn, keelpijn.
Bram: Oké.
Mieke: Je moet dan het juiste woord kiezen bij een plaatje. Of bij een korte beschrijving.
Bram: Oké, dus voor het examen moet ik de basiswoorden kennen. Hoofdpijn, buikpijn, keelpijn, hoesten, niezen.
Mieke: Ja, precies. En ook woorden als moe en misselijk. Zodat je de vraag begrijpt.
Bram: Duidelijk. Nu ga ik een kop thee drinken tegen mijn nep-keelpijn. Haha.
Mieke: Goed idee. Tot morgen, Bram!
Bram: Doei!